potvissen
Om de mini reeks over het ruw zeemanswerk af te sluiten volgt hier het relaas van een meer ludiek gebeuren in het sleepwerk. Op 24 februari 1937 zijn er twee potvissen (walvissen zoals eerst gedacht) tijdens vloed in de Scheldemonding gesukkeld. De dieren werden verrast door de ebstroom en lukten er niet meer in om, tussen de platen en geulen, terug naar zee te keren.
Het relaas werd geschreven door Kapitein Willem Mertens en verscheen in het contactorgaan van Union de Remorquage et de Sauvetage ‘STAND-BY’ in 1961.
Willem Mertens:
Wij lagen met de Baltic voor anker op de rede van Terneuzen. De bemanning bestond uit Achilles Van Acker (niet onze ex-premier) als machinist, John Janssens als stuurman, F. Janssens als matroos, J. De Schepper als stoker en ikzelf.
Rond vijf uur in de morgen werd ik aan dek geroepen. Het was een mistige dag met motregen. De stuurman had vreemde geluiden gehoord die hij niet kon thuisbrengen.
Samen stonden we in de koude morgen aan dek te luisteren maar hoorden niks. Enkele ogenblikken later hoorde ik ook het geluid. Het klonk als gejammer en geklaag met daartussen een lawaai als een schroefslag van een ledig schip dat voorbijloopt. De schroefslag was echter onregelmatig. We bekeken elkaar vragend en snapten er niks van. Wij tuurden in de nevel maar alles bleef grijs en ongezellig. Wat was dat nu eigenlijk? Een aanvaring? Een omgeslagen vissersvaartuig?
Wat later begon het daglicht door te sijpelen en konden we een en ander onderscheiden. Op het oostelijk eind van de Suikerplaat zagen wij, tot onze grote verbazing, een reuzevis liggen, zeker een walvis.
Dadelijk werd de hele bemanning opgetrommeld en ik gaf instructies om de sloep te strijken. Ik schoot vlug wat warme kleren aan alsook lange laarzen en samen met de matroos en de stuurman roeiden wij naar de gestrande walvis. Vanaf boord werd ons nageroepen om zeker niet te vergeten een contract te laten tekenen.
De schroefslag die wij meenden te hebben gehoord kwam natuurlijk van de staart. Wij twijfelden niet aan de kracht van dit dier. Integendeel, wij voelden ons steeds kleiner en kleiner worden naargelang we dichter naderden en de lengte van de vis op 20 meter schatten. Walvissen en potvissen zijn echter gebouwd om in het water te leven, waar hun zware lichamen worden ondersteund. Hierdoor kunnen zij niet lang op een strand liggen waar een veilige steun ontbreekt. Ze zakken als het ware ineen en sterven.
Nadat we het geval eens rustig hadden bekeken roeiden we terug naar onze Baltic waar we de overige bemanning verslag uitbrachten. Machinist Van Acker, die goed op de hoogte was van al hetgeen er in het dierenrijk te vangen en eten is, verklaarde onmiddellijk dat het geen walvis kon zijn maar wel degelijk een potvis. Het dier had tanden in de onderkaak die pasten in de holten van de bovenkaak.

Ongeveer 500 meter in het Stoomboten Gat lag de andere potvis die later werd weggehaald door vissers van Breskens. Foto: museum Breskens
We bliezen de sleepboot Charles Letzer, die voor de Oude Haven van Terneuzen voor anker lag, op de stoomfluit ter plaatse (er waren nog geen radio’s of VHF-kanalen). Het was intussen 07 uur geworden en hadden vernomen dat er nog een tweede potvis gestrand lag in het Stoomboten Gat. Dit was wel normaal als men bedenkt dat potvissen zoogdieren zijn en bijgevolg paren vormen. Het ging hier dus over mijnheer en mevrouw P. Otvis. Het was wel spijtig dat een goed huishouden op deze wijze moest eindigen. Er werd afgesproken dat de Charles Letzer het bureel Terneuzen zou verwittigen alsook de fotografen, want dit was toch wel een portretje waard.
Wij roeiden terug naar onze potvis. Het dier bewoog niet meer en we konden dus in alle veiligheid het geval eens opmeten. De potvis was 18 meter lang en de staart was 2,40 meter breed. Het gewicht, hebben we later vernomen, was ongeveer 34 ton. De romp lag ongeveer een meter in het zand en 2 meter erboven.
Vrijwel geheel Terneuzen was inmiddels ter plaatse gekomen en vele mensen keerden met natte voeten terug naar huis. De fotografen klikten en klakten hun toestellen warm.
Toen kwam één van hen op het lumineuze idee de bemanning van de “walvisjager” Baltic te vereeuwigen, staande bovenop hun vangst. Dit was niet zo eenvoudig, die was glad en olieachtig. Om het afschuiven te verhinderen wierpen we zand op het lichaam waarop we gezwind op het dier klauterden. Onze machinist was in het bezit van een aangeslepen bajonet en hiermee stak hij het dier en trok zich iedere maal een beetje op. Tenslotte stonden we daar allen naast elkaar met een “foto” glimlach en klaar om eraf te vallen. Even na het kiekje gebeurde het onvermijdelijke en schoven we, elkaar meetrekkend, van de potvis af… recht in de plassen.
Er werd besloten te wachten tot gewassen water om de potvis vlot te trekken, contract of geen contract!
Een meerdraad werd vastgemaakt aan de staart en tijdens vloed werd het geval vlot gesleept en voor de haven van Terneuzen gebracht. Het slepen verliep bijzonder moeilijk, er was praktisch geen vaart in de sleep te krijgen. Met hoogwater werd alles op het droge getrokken en afgeleverd. We werden afgelost door de ploeg van H. Van Dongen waarna een rustperiode van 24 uur volgde.
‘s Anderendaags toen wij terug de wacht op kwamen stond er rond “onze” potvis een houten schutting gebouwd en werd er 25 cent inkom gevraagd om het dier te bekijken. Zelfs wij dienden inkomgeld te betalen waarvoor we natuurlijk ronduit bedankten. We stonden vreemd te kijken naar de zakengeest van onze Noorderburen.
Later werd de potvis met allerlei producten ingespoten om het bederf te weren en werd het dier vervoerd naar de universiteit van Leiden.
Naar een tekst van:
‘Geschiedenis der Belgische Sleepvaart’ – Belgisch Glorie 1860-2007
van Kapitein l.o. Cyrille Pissiersens
Hugo Van Britsom
Met dank aan Marc Hauman voor het nalezen.
De Breskense Courant van 2 maart 1937 wijdt op pagina 2 een klein artikeltje aan het gebeuren.
“Eindelijk is onze gemeente van de monstervisch ontlast geworden. Nadat Zaterdag en Zondag nog honderden, trots het slechte weer, een bezoek aan de potvisch hadden gebracht, is deze van het strand naar de haven gesleept en Maandagmorgen is de groote reis naar Rotterdam aangevangen om vandaar naar Overschie te worden gebracht en ontleed te worden. Het bezoek aan dit zeldzame beest is overweldigend geweest.”
De Baltic werd te Alblasserdam gebouwd in 1915. De sleepboot werd aangedreven met een 350 pk motor wat resulteerde in een trekkracht van 6,5 ton. Hij was 30,46 meter lang, 6 meter breed met een diepgang van 2,2 meter. Het voer onder verschillende namen zoals Steffen en G. Van Dyck. Onder de naam Scythe vaarde het voor de Royal Navy tussen 1939 en 1947.
Werd verschroot in 1964.






