( Vissers uit Oostende: In het kielzog van de rederij )
Geregisseerd door Gaëtan Saint-Rémy en France Duquenne
Geschiedkundig een mooie film die een duik neemt in het fascinerende verhaal van de Belgische zeevisserij aan de hand van het relaas van een jonge wees die uitgroeide tot een van de meest illustere kapiteins van de Société des Pêcheries à Vapeur.
John Bauwens werd een echte visionair en transformeerde de Belgische visserij via technologische, sociale en educatieve innovatie. Met anekdotes uit zijn logboek, getuigenissen van historici en familieleden van de familie Bauwens neemt de film je mee op een industrieel, sociaal en menselijk avontuur dat de Belgische geschiedenis heeft helpen vormgeven.
Filmvertoning op 24 oktober 2026 in de Roxy te Temse.
John Bauwens was de grand patron van Pêcheries à Vapeur uit Oostende die in de jaren 30,40 en 50 van vorige eeuw vissersschepen bij Boel liet bouwen.
France Duquenne had heel wat materiaal liggen en verzameld over en rond haar voorouders, de familie Bauwens. Met al haar materiaal trok France naar Clair-Obscur, een productiehuis gespecialiseerd in het maken van documentaires. Gaëtan Saint-Rémy maakte extra beelden en interviews en maakte zo een mooie documentaire.
France Duquenne is de achterkleindochter die mede de film heeft aangestuurd.
Ze was ook bezig een tekenfilm te maken over Kuifjes Sirius. De tekeningen zouden gebaseerd zijn op de tekeningen van John O.88. Dit schip werd ontworpen door een Russisch émigré scheepsarchitect, ene Childsky wonende in Oostende, en gebouwd op de Boelwerf in 1936. Ook de in 1946/1947 gebouwde treilers O.85 Pasteur, O.86 Edison, O.88 Curie en O.89 Marconi zijn min of meer naar de tekeningen van de O.88 John en de O.86 Georges Eduard ontworpen. Beide schepen zijn gebouwd op de Scheepswerven Jos Boel & Zonen.
O.88 John kreeg bouwnummer 904, O.86 Georges Eduard verwierf in 1937 bouwnummer 939.
De John werd in 1940 gekelderd door de Luftwaffe en de Georges Eduard liep in 1941 op de IJslandse klippen. IJsland is in vissersmiddens ook gekend als ‘Deugnietenland’.
John Bauwens (1866 – 1955) komt uit een grote Oostendse familie die verwant is aan de beroemde Oostendse kapers Van Maestricht.
In 1663 werd voorvader Roger Bauwens burger van Oostende en van toen af werd de familie opgenomen in de maritieme geschiedenis van de stad.
John werd geboren in het gezin van Philippe Jacques Bauwens en Marie Louise Bens. Zijn vader en grootvader waren kapiteins ter lange omvaart. De familie Bauwens, vaartuigen en de zee zijn dus historisch met elkaar verbonden.
Die traditie werd al vlug verder gezet door de jonge John. AI in 1883, toen hij nog maar 17 was, bouwde hij al, samen met zijn broer, een sloep. Twee jaar later begon hij aan het serieuze werk. De sloep ‘Naar mijn genoegen’ kreeg een stoomlier aan boord, wat door andere Oostendse reders als het werk van een waaghals aangezien werd. Maar de waaghals bleek vooral veel commercieel vernuft te hebben. In 1885 liet hij op de Oostendse werf De Coene zijn eerste stoomtreiler bouwen, de O 30 Elisabeth (later herdoopt tot O 30 Louise-Marie), een schip met een open houten romp, voortgedreven door een ‘compoundmotor’, in die tijd een zeer vooruitstrevend initiatief. De O 30 was wel niet het eerste stoomschip dat in Oostende ter zeevisserij voer, maar wel het eerste dat te Oostende zelf gebouwd werd.
Tegelijk stichtte John de rederij Bauwens, Pottier & C° die het vaartuig zou uitbaten. Dat dit nog maar het begin was van een spectaculaire carrière, mag blijken uit de tweede vennootschap die hij in dat jaar opricht, deze keer met ene August Van de Walle. Het bedrijf wordt een touwslagerij en een producent van zeilen.
Op 13 juni 1896 wordt het kantoor van de Brugse notaris Jules Jacqué bezocht door zes ondernemende West-Vlamingen. Voor hem zitten de jonge Oostendse reder John Bauwens, de eveneens uit Oostende afkomstige dokter Prosper Bouckaert, Auguste Van de Walle, ook reder te Oostende en de Bruggelingen Emmanuel De Cloedt, aannemer van baggerwerken, Albert Stevens, pleitbezorger bij de rechtbank van eerste aanleg en Gerard Vlietinck, consul van Chili. Zij stichten daar de rederij Pêcheries à Vapeur (PV). Het kapitaal bedraagt 500.000 frank, verdeeld over 500 bevoorrechte aandelen en 500 gewone.
John Bauwens wordt directeur van de onderneming.
Vier jaar later had deze rederij al tien vaartuigen in dienst.
De vennootschap was niet alleen productief, maar ook winstgevend. In vier jaar tijd werd in de PV een totale brutowinst van 3.268.817 goudfranken geboekt. Dat betekent niet dat alles van een leien dakje gelopen was. Bauwens was een pionier.
Hij experimenteerde.
In 1898 richtte hij een ‘Lofotenexpeditie’ in waarmee hij de aanvoer van ‘moruwe’ (gezouten kabeljauw) in Oostende wilde herstellen. De stad had ter zake immers een stevige reputatie te verdedigen. De Noordzeebanken en de Doggersbank waren inmiddels echter uitgeput. In 1877 bedreven nog 140 schepen deze visserij en ze brachten in dat jaar 9.500 vaten kabeljauw aan de wal. In 1892 voerden 19 schepen nog slechts 544 vaten aan.
In 1898 zond John Bauwens twaalf Oostendse schepen en een kuiper naar de Lofoten. Daar kochten ze alle grote kabeljauw op en zoutten ze op de Oostendse manier. In totaal stuurden ze per vrachtschip 3.500 vaten naar Oostende waar nu wekelijks weer 300 à 500 vaten moruwe te koop gesteld werden. Het werd geen succes. De kopers, die wisten dat er nog een reserve stond te wachten, boden onvoldoende om de zaak rendabel te maken.
Het experiment kreeg geen navolging.
Hij experimenteerde nog meer. In de schoot van de PV richtte hij in 1900 een eigen werkplaats op waar er o.a. stoomketels autogeen aan elkaar gelast werden, indertijd ook al een nieuwe techniek. Hij was een van de eerste reders die een ontploffingsmotor aan boord van een treiler plaatste (in 1907 op de O 200 Pionnier van de rederij Bauwens & Van de Walle).
Waarmee hij het begrip ‘mixteschepen’ lanceerde, vissersvaartuigen die zich zowel met een motor als onder zeil voortbewogen.
In 1907 liet Bauwens de eerste koelinstallatie plaatsen aan boord van een vissersvaartuig (O 87 Marcelle). In datzelfde jaar startte hij ook een vishandel om zelf de marktorganisatie in handen te krijgen. De rederij nam ook een belang in de vennootschap Nordiana die zich specialiseerde in het verwerken van traanolie van kabeljauw. Bauwens stuurde in datzelfde jaar ook voor het eerst treilers naar de Witte Zee en naar Marokko.
In zijn ondernemingen zet hij zijn pionierswerk verder. In 1910 neemt hij deel aan de ‘Internationale Tentoonstelling van Brussel’ en vestigt daarmee internationale aandacht op de Vlaamse visserijsector. Nog in die periode wordt de haringvisserij, die eertijds door de vissers van de Westhoek bedreven werd maar sinds 1851 opgehouden had te bestaan, nieuw leven ingeblazen. De ondernemer haalt een ervaren bemanning uit de Westhoek naar Oostende en laat hen met de Pionnier II op haring vissen.
In 1913 is hij de eerste reder die radioapparatuur inschakelt en zorgt voor een opleiding van marconisten. In 1913 stuurt hij de O 130 Jacqueline naar Belgisch Congo om er de visserijmogelijkheden te onderzoeken. Het zou op 20 februari 1920 aanleiding geven tot de oprichting van de ‘NV Pêcheries à Vapeur du Congo belge’.
John Bauwens is een geëngageerd sociaal-liberaal. Hij engageert zich op maatschappelijk vlak en zal in de loop van zijn leven tal van functies in het maatschappelijk leven van de stad bekleden. In 1906 sticht hij, samen met prins Albert, het Koninklijk Werk Ibis.
Vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bekomt hij van de Bulgaarse regering het alleenrecht om aldaar de zee en de binnenwateren te bevissen en met zijn NV ‘Pêcheries en Bulgarie’ stuurt hij er zijn Oostendenaars naartoe. Op de valreep van WO II is er ook nog de oprichting van de ‘SA Froid Industriel’ waarmee Bauwens zelf voor de ijsbevoorrading van zijn schepen wil zorgen. De concrete werking van de ijsfabriek moet evenwel wachten tot het oorlogsgeweld voorbij is.
Bij het uitbreken van WO I lag heel de Oostendse visserijvloot tegen de kaai en de O 130 Jacqueline van de PV was op terugweg van Congo. Op het stadhuis beslisten overheid en reders om een uittocht naar Engeland te organiseren om te beletten dat het visserijkapitaal in handen van Duitsland zou vallen. Omdat niet alle vissers het gevaar van de overtocht (U-boten!) wilden trotseren moesten er ook veel nieuwe bemanningsleden gezocht worden. John Bauwens organiseerde de uittocht van de PV-schepen systematisch: ‘Op 5 september vertrok de O 87 Emmanuel met opdracht te vissen en te lossen in Milford Haven. Op 6 september vertrok de O 81 Isa met opdracht te vissen en in Swansea te verkopen. Op 8 september vertrok de O 85 President Stevens met bestemming Milford haven, dezelfde dag gevolgd door de O 83 Marcelle.
Op 9 september waren het de O 82 Gaby en de O 131 John die naar Milford Haven afvoeren. De O 97 Marie Louise vertrok gelijktijdig doch kreeg de opdracht eerst te gaan vissen en in Engeland te verkopen. Op 23 september liep de O 87 Emmanuel terug binnen van de visserij, doch vertrok reeds de volgende dag naar Milford Haven met aan boord familieleden der bemanning. Intussen had het Belgisch leger Antwerpen ontruimd. Het PV-schip O 130 Jacqueline dat teruggekeerd was uit Congo voer op 13 oktober de haven van Oostende uit. De beroemde Oostendse kapitein Arseen Blondé had 500 vluchtelingen aan boord.
In Engeland organiseerde John Bauwens de uitgeweken Belgische visserijsector, waarbij zijn organisatietalent zwaar op de proef gesteld werd: de oorlog dreef de kosten op, matrozen werden opgeëist om dienst te nemen op de patrouilleschepen, er was een staking, de vakbeweging stak zijn kop op, maar de visserij werd wel degelijk opgestart, zij het dat er zo nu en dan ook moest gevochten worden: zowel de O 130 Jacqueline als de O 81 Isa, de O 131 en de O 85 Président Stevens waren betrokken bij gevechten met duikboten. In totaal werden niet minder dan 325 bemanningsleden van koopvaardijschepen door treilers van de PV gered. Bovendien werden drie koopvaardijschepen naar een veilige haven gesleept. De O 85 genoot de eer het grootste aantal mannen met één enkele tussenkomst gered te hebben door op 29 juni 1915 niet minder dan 125 man van het getorpedeerde stoomschip Armenian aan boord te nemen.
Van de acht PV-schepen die in 1914 uitgeweken waren, bleven er in 1919 nog zes over. De O 131 John was vergaan bij een aanvaring en de O 83 Marcelle was door een duikboot getorpedeerd.
Voor de Eerste Wereldoorlog kende de PV nauwelijks concurrenten die op gelijk niveau werkten. Er was natuurlijk wel reder Henri Aspeslagh die ook al gauw stoomschepen uitreedde, maar diens rederij was toen nog niet tot volle ontplooiing gekomen. In 1914 had Aspeslagh vijf schepen, de PV had er twee keer zoveel. Verder waren er nog de ‘Pêcheries d’Islande’ (van J. Baels, gesticht in 1906). Die rederij telde in 1914 vier schepen, Golder had drie stoomvaartuigen. Delta (gesticht in 1908) had in 1914 twee schepen. Nieuw waren de ‘Pêcheries du Nord’ (gesticht in 1913) en de eveneens in 1913 opgerichte ‘Compagnie Nationale de Chalutiers à Vapeur’.
Na de oorlog schoten de nieuwe rederijen van stoomschepen evenwel als paddenstoelen uit de grond. In 1919 werden de ‘Pêcheries des Flandres’ en de ‘Pêcheries à Vapeur Zeester’ gesticht. In 1920 kwam daar de ‘Union des Pêches Maritimes’ bij, in 1921 gevolgd door de ‘Armement Ostendais’ en de ‘S.A. Noordzee’. In 1923 nam de nieuwe ‘Pêcheries Ostendaises’ de rederij Aspeslagh over.
In 1919 vervoegden twee in Engeland gekochte schepen de vloot van de PV. Op 10 februari 1920 trok de O 130 weer naar Congo. Het werd geen succes en in 1924 werd het schip verkocht.
In 1921 stichtte John Bauwens de ‘Caisse d’assurance et de retraite’, een voorzorgskas, waarvoor een deel van de winsten van de PV apart gezet werden. In datzelfde jaar begon ook de ijsfabriek aan de werkzaamheden. Met twee andere rederijen stichtte de PV ook de verzekeringsmaatschappij Assurance Mutuelle Maritime en het vandaag nog steeds bestaande Industrielle des Pêcheries (IDP), herstellings- en onderhoudswerkhuizen voor visserijvaartuigen.
In 1923 komt er een andere O 88 John en in Langerbrugge wordt een nieuw schip besteld, de O 89 Annie, een kleiner vaartuig, maar wel met een ontploffingsmotor. Het werd een succes en Bauwens liet later, voortbouwend op die ervaring, nog een motorschip, O 85 Marcelle, bouwen.
John Bauwens had immers al gauw aangevoeld dat, wilde hij een leidende positie behouden, hij zijn vloot niet op dezelfde (stoom)leest mocht blijven schoeien. Daarom had hij de studie van de motorvisserij hervat, steunend op de vooroorlogse ervaringen met zijn Pionnier. Eerst experimenteerde hij op kleinere schepen (O 89 Annie, 100 pk), maar in 1929 voegde hij aan zijn vloot de eerste diepzeetrawler met motoraandrijving toe: de O 89 Freddy (eerder eigendom van de Pêcheries d’Islande waarvoor het onder de naam O 207 Windroos gevaren had. Bauwens liet er een ontploffingsmotor in plaatsen).
Intussen werden schepen verkocht en andere aangeschaft, ook werd er verder geëxperimenteerd. Zo stichtte Bauwens in 1926 samen met anderen ‘La marée fraiche’ die de vishandel moest hervormen. Het experiment mislukte.
Op de drempel van de crisisjaren telde de PV-Vloot 16 schepen. Ook in de visserij sloeg de crisis toe. Toch waren er ook lichtpunten. Een ervan was de bouw van een nieuwe vissershaven die op 15 september 1934 in Oostende ingehuldigd werd. De nieuwe infrastructuur had een positieve invloed op het bedrijf en sommige rederijen sloegen weer aan het bouwen.
De PV liet in 1934 op de Boelwerf te Temse weer een nieuwe O 88 John bouwen. Het schip (197 brt, met Carelsmotor 500 pk) heette revolutionair te zijn. Voor de PV was de nieuwe haveninstallatie ook reden om haar kantoren en magazijnen vanuit de stad over te brengen naar de Rederijkaai (later Hendrik Baelskaai).
Er volgden nog nieuwe schepen, O 86 Georges-Edouard in 1936 en O 80 Duchesse de Brabant in 1937. Dit was weer een stoomtreiler, tweedehands gekocht in Engeland waar dat soort treilers in die tijd als waardeloos van de hand gedaan werden. Er werden er nog enkele gekocht en op de drempel van de Tweede Wereldoorlog beschikte de rederij over twaalf eenheden, waarvan zeven motortreilers.
Bauwens zou zijn krachttoer uit WO I niet kunnen herhalen. De Duitse Wehrmacht was te vlug opgerukt om een ordentelijk vertrek uit Oostende te organiseren. De O 89 werd door een vliegtuigaanval beschadigd. Het kantoorgebouw van de rederij werd compleet vernietigd. De rest van de vloot vluchtte het zeegat in.
De O 92 Graaf van Vlaanderen en de O 86 Georges-Edouard werkten mee aan de ontruiming van Duinkerken.
De O 80 Duchesse de Brabant, de O 82 Raymond, de O 92 Graaf van Vlaanderen en de O 98 Marie-Louise werden in de Britse oorlogsvloot ingeschakeld. De O 88, O 87 en O 86 mochten wel uit vissen gaan, maar dan wel voor rekening van de Regie van het zeewezen die de vaartuigen in beslag genomen had.
De twee schepen die de PV in België moest achterlaten gingen verloren. Ook in Engeland werden er zware verliezen geleden. De O 85 liep op een mijn. De O 86 strandde op IJsland, de O 88 verging door een vliegtuigaanval.
In 1946 vierde de PV haar vijftigste verjaardag.
Het Nieuw Visscherijblad van 14 juni 1946 besteedde er driekwart pagina aan.
Zie onderaan pag. 2 de reclame voor Carels Diesel motoren.
De rederij hield aan de oorlog zeven schepen over: vier stoomschepen en drie motortreilers. Alhoewel ook zoon Raymond nu in de rederij ingeschakeld werd, was het nog steeds de 80-jarige John die het stuur in handen hield. En hij bleef voortvarend. Oudere schepen werden verkocht, andere werden aan de nieuwe situatie aangepast en in 1947 werden er op de Boelwerf voor de PV vier nieuwe schepen gebouwd. 
Vlugger dan gedacht trok de internationale handel zich weer op gang en de visserij, die na de oorlog een korte opleving gekend had omdat ze het voedseltekort kon indijken, stortte in. Er was niet alleen geen vraag meer naar vis, de visgronden in de Noordzee bleken al gauw dusdanig verarmd dat ook veel (te) kleine middenslagschepen naar IJsland moesten trekken, al te veel met catastrofale gevolgen.
In 1948 organiseerden de reders een lock out die van april tot mei zou duren. Ook de PV van Bauwens nam eraan deel. In het visserijbedrijf kwamen 3.000 mensen zonder werk te zitten. Niet alleen vissers werden werkloos, ook de ijsfabrieken, touwslagerijen en herstellingswerven lagen stil. De actie had geen enkel resultaat, ook omdat de vishandelaars hun vis gewoon in het buitenland gingen kopen. Op 24 mei gingen de schepen weer in zee.
Voor de PV betekende de nieuwe economische situatie dat de drie resterende stoomtreilers gedurende lange periodes aan de kant moesten blijven liggen.
Bauwens besefte als eerste dat het tijdperk van de stoomtreilers voorbij was. In 1952 had de rederij al zijn stoomtreilers verkocht en bestond de Pêcheries à Vapeur-vloot nog volledig uit motortreilers die uiteraard ook de kentekens PV op de schouw hadden staan.
Op 7 oktober 1952 werd weer een vaartuig onder de naam John te water gelaten. De nieuwe O 81 John mat 56,50 meter, liep 13,75 knopen, kon 150 ton diesel bunkeren om een Carelsmotor van 1.091 pk aan te vuren. Bauwens zag hiermee zijn 47ste vaartuig zee kiezen. Het zou tevens zijn laatste zijn. In 1960 werden door de PV nog twee vaartuigen te water gelaten, waarmee de kaap van de vijftig schepen gerond werd. Toen de rederij haar 65-jarig bestaan kon vieren, telde de grootste rederij ter zeevisserij die België ooit gekend heeft nog altijd negen schepen.
John Bauwens stierf op 3 augustus 1955. Hij werd naar eigen wens in eenvoud begraven. In een later gehouden dienst werd hulde gebracht aan deze grote persoonlijkheid. Vanaf zijn dood tot aan de rouwhulde hingen de vlaggen op alle officiële Oostendse gebouwen en op alle vissersvaartuigen halfstok.
Later werd de stedelijke visserijschool in Oostende naar hem genoemd. Sinds 1995 zijn de Vrije Visserijschool “PASTER PYPE en de John Bauwensschool gefusioneerd, thans Provinciaal Maritiem Instituut genaamd.
De “Paster Pype Visserijschool” te Oostende kwam er door priester Hendrik Pype. Na de Vissersopstand te Oostende van 1887 vond hij het noodzakelijk de vissersjeugd Katholiek visserijonderwijs te geven.
Begin jaren 1930 worden op de Scheepswerven Jos. Boel&Zonen de eerste visserschepen voor Oostende gebouwd. Men spreekt hier nog over ‘zeevisserssloep’.
De Rederij Defer Arthur bestelde in 1931 de 0.323 Rockall (bwn 722) en ook Rederij De Zoeter Prosper liet een schip bouwen, de 0.333 Marcelinne (bwn 723). Andere visserij reders uit Oostende waren Collier&Vileyn, Blondé, Barbaix, Walraeve, Nassel, Boels, Viaene, Vileyn, Verleene, Armement Brunet.
Deze biografische documentaire wordt vertoond op 24 oktober 2026 in filmzaal Roxy, Stationstraat te Temse.
Tevens zullen er bijkomend enkele korte filmfragmenten over de Boelwerf zelf worden getoond. Aansluitend volgt een korte uiteenzetting ……….
Samenstelling Hugo Van Britsom en Paul Bertolo.
Bronnen:
– Blog van Flor Vandekerckhove – De Laatste Vuurtoren Wachter
– DE FAMILIE BAUWENSI I .00STENDE door Robert OUVRY
– Het Visscherijblad
– Uitgelichte afbeelding: foto Dirk Lauwers







