Met de kan in de hand komt men .. overal.
Toen Arie op de werf begon was het een van zijn taken om elke dag een tochtje over de werf te maken.
Arie Vercauteren
Hij begon in de onderhoud bij de ‘elektriekers’. Zijn job bestond erin om elektrische lampen te maken of te herstellen, idem voor de luchtslangen en dergelijke kleine werkjes. De uitvalsbasis van de elektriciens lag naast Blok I, juist voor het centraal magazijn en naast het energielokaal. Dit energielokaal herbergde de hoofdschakelaar voor de transformatoren. Ernaast was het persluchtlokaal waar de compressoren stonden de trillen.
En dus elke dag na de middagschaft ging Arie op ronde langs de in aanbouw zijnde schepen en alle ateliers waar perslucht gereedschap aanwezig was. Met zijn kannetje gaf hij elke klinkhamer- of luchtboormachine een scheutje smeerolie.
Arie volgde school bij de broeders, lagere humaniora in de Akkerstraat in Temse. Later volgde hij A2 in het RTI op de Parklaan in Sint-Niklaas. Een jaar later begon hij aan zijn 1e job op de werf, bij ENI. Dat avontuur was al vlug voorbij toen er minder werk was en de helpers bedankt werden voor bewezen diensten. Op dat moment kon Arie niet gaan ‘doppen’ wegens te weinig gewerkte dagen. Hij kon dan als metserdiender aan de slag bij zijn nonkel Oscar Van Strijdonck.
Rond Pasen 1960 begint dan zijn loopbaan bij Scheepswerven Jos. Boel&Zonen. Hij komt terecht, zoals hierboven beschreven, in ‘den onderhoud’ bij Toon Hooft. In 1962 is het dan tijd om zijn Vaderlandse plicht te vervullen. Na zijn legerdienst kon Arie terug in de onderhoud alwaar hij in september 1965 ploegman werd.
In die periode was de onderhoud nog in volle uitbreiding1 en was verhuisd van het atelier rechtover helling II naar het ‘Groot Fabriek van Van der Schueren’ (parking achter de politie). Gust De Bock en Marcel Heene stonden als elektriciens paraat voor het onderhoud kranen en rolbruggen, Martin Bressinck voor elektrische vorkliften en bijhorende batterijen. Bij de paswerkers waren dat André De Wilde en Willy Straetmans voor de rolbruggen en Frans Vereecken, Albert De Ryck voor de kranen. Later vervoegde William Andries deze laatste ploeg.
Ploegmannen in de onderhoud zorgden er voor dat bij het begin van de werkzaamheden de ateliers, de hellingen en bouwplaatsen de nodige energievoorzieningen hadden. Het schakelen van de transfo’s, het opzetten van de perslucht compressoren en de nodige straatverlichtingen activeren. Uiteraard werden ook de burelen niet vergeten. Voor de verwarming van ‘den bureau’ had men wel de stookplaats met zijn stokers.
In den beginne, bij het opstarten van dit systeem, waren ploegmannen steeds elektriciens. En enkel de maandag morgen werd er een tweede man meegestuurd. Dit was wettelijk verplicht omdat men niet alleen een hoogspanningscabine mag betreden. Een regelmatige tweede man was Marcel Viaene, die ook de elektrische installatie van de burelen onder zijn hoede had.
Toen Arie dus in die ploeg kwam was het ter vervanging van een zekere Gerlo. De andere twee elektriciens waren Albert De Wilde en Theo Van Pee (daain Brusseleir2). Toen die laatste, na 20 jaar ploegman, enkel nog in de dagploeg kon komen, kwam Karel Van Broeck hem vervangen. André Waterschoot vervoegde als elektricien de ploeg in de jaren 1980 als vervanger van Albert De Wilde die in 1981 met pensioen ging, na 43 jaar dienst. Alle verplaatsingen van die mannen verliepen te voet of met de fiets.
Maar vooraleer de oude garde was vervangen had de werf al een serieuze uitbreiding gekend. De taak van de ploegman was niet enkel de energie voorziening op of afschakelen maar ook het herstellen, zoals Arie reeds vroeger had gedaan, van verlichtingssnoeren, laskabels, schakelkasten, persluchtslangen… en bij die uitbreiding kwam er ook het item veiligheid bij.
En dus volgde er een aanpassing van het systeem. De ‘ploegman’ kreeg assistentie van een vaste maat, een paswerker.
Die paswerkers waren Omer Anné, Jef Tinck, Marcel Hofman en Willy Van Eynde, met vier. Het ploegsysteem bestond uit vroege, late en nacht (05u – 13u / 13u – 21u / 21u – 05u).
Hierdoor wisselde de ploeg steeds van samenstelling.
Maar hun meestergast Henri Heyman wou Willy regelmatig in de dag, vandaar dat rotatiesysteem. Als assistent van Henry Muys stond hij ook in voor de verwarmingen, zowel de ketels op de werf als de particuliere (huizen die verhuurd werden). Zeker in heel koude periodes werd heel wat beroep op hem gedaan om de bijkomende oproepen te behandelen. Toen Willy later Rie opvolgde kwam hij voltijds in de dagploeg te staan en eindigde het rotatiesysteem.
Als invallers, bij afwezigheid van de vaste ploegman, stelden velen zich welwillend op. Arthur Mettepenningen, Guy De Koster, Luc De Wilde, Raoul Faresyn, Georges Deyaert, Franz De Grave, Marcel Stevelinck, Martin Rombaut, Patrick Maes …zijn namen die op het lijstje staan.
De ploeg van dienst behandelde als eerste de telefonische oproepen voor kleine herstellingen. Een camionette werd uitgerust met een boel klein materiaal en onderdelen zodat het tijdverlies voor een herstelling tot een minimum beperkt bleef. Uiteraard speelde de uitgebreidheid van de werf een rol bij de aanschaf van die snelle interventiewagen.

De ‘ploegwagen’, een Ford Transit, staat hier afgebeeld op de Parking links onderaan. Foto genomen op de dag dat de schouw van Van der Schueren tegen de vlakte gaat. (27/5/1983)
De hoofdjob van de ‘ploegmannen’ was in de eerste plaats dus dat in dienst stellen van de energiestroom, voorts de dringende herstellingen uitvoeren (als het in de mogelijkheden ligt) en dan, in hun ‘dooie’ tijd de winkelwagen voorzien van het herstelde materiaal.
De winkelwagen, bestuurd en ‘uitgebaat’ door André Colman, maakte elke dag na de middag een toer over de werf. Op bepaalde plaatsen maakte die een stop om materialen te leveren en de te herstellen materialen mee te nemen.
Die materialen bestonden uit lastangen, perslucht boormachines, hamers, piqués, rolmeters, spieën, werkhandschoenen, ‘pillichten’, allerlei materialen waarvoor de werkman anders naar het centraal magazijn diende te gaan.
Die te herstellen materialen kwamen de dag nadien in de onderhoud terecht bij Gust De Gendt. Ook José De Cauwer zijn schoonvader, Marcel Waterschoot heeft, na een lange carrière bij de paswerkers aan boord als specialist stuurmachine, op die dienst gewerkt.
Door het aantrekken van onderaannemers steeg het aantal oproepen voor de ploegman aanzienlijk.
Voor weekendwerk was het de late ploeg die hiervoor aangewezen was. Op zaterdag was er altijd wel ergens een onderhoudswerk uit te voeren en meestal was dat met de vroege. En dat maakte de overgang voor de ploegman naar de nacht de volgende week makkelijker.
Bij opdrachten op zondag werden de ploegmannen telefonisch verwittigd en ging die over en weer. Afhankelijk van het telefoontje werd soms enkel de elektricien opgeroepen. Voor deze interventies werd een forfait betaald.
Zoals je wel kan denken, beste lezer, maakten die mannen regelmatig heel wat overuren. En om die te verletten was de vroege een ideale shift. Als je om 09u naar huis trok had je nog een mooie dag voor de boeg en daalde het te goed uren op een aangename manier.
Arie heeft zijn job altijd heel graag uitgeoefend. Het enige minpunt is dat je in het weekend dat je van dienst was niks kon plannen. Na een carrière van 28 jaar ploegman kwam hier in 1992 een eind aan. Arie, geboren in 1943 kwam een jaar te kort om in het stelsel van CAO 17 te kunnen stappen. Hij heeft nog tot oktober 1993 kunnen werken maar niet meer als ploegman.
En toen moest er worden beslist, wel of niet meer uit werken gaan. Het feit dat er minder inkomsten waren maar het leven toch aangenamer werd, maakte de instap in CAO 17 makkelijker. Bijkomend was er het feit dat er de drie volgende jaren telkens een trouwer (huwelijk) was in het gezin Vercauteren. Een gevolg was dat er enkele jaren genoeg arbeid was bij de bouw of verbouwing van woningen.
Van Wilford naar Boel
Omer Anne
Zijn 1e werkdag verliep ietwat chaotisch. Bij aankomst aan het hek ergens in 1969, stonden er zo’n 25 man te wachten. ‘De Lange Van Bunderen’ kwam er regelmatig een vijftal oppikken om die te begeleiden naar hun werkplaats. Dat groepje verminderde almaar meer en Omer dacht al bij de laatsten te zijn. Dat bleek niet alleen zo te zijn, hij was zelfs de allerlaatste. Maar bovenal, hij werd niet begeleid door de Lange, hij bleef gewoonweg alleen achter bij de portier.
En hij bleef maar wachten, en wachten… tot eindelijk de portier ‘de Lange’ zelf opbelde. Die kwam terug en vroeg of Omer wist waar die naartoe moest. En ja, dat wist hij, naar den onderhoud. “Awel, ga maar daar, beneden door die grote poort en ge zijt er. Vraag maar naar Henri Heyman.”

Foto eindejaar 1975 Vlnr: Albert De Ridder, Vic Boodts, Pierre Rombaut, William Andries, Eddy Riské, Staf Meersman, Omer Anné en Georges Deyaert.
Eer het zover was had Omer zijn strepen al verdiend bij Wilford, in ’t Foort. Daar was zijn loopbaan begonnen en stond hij als smid (mekanieker) in voor de onderhoud van de fabriek. Vanaf de jaren 1970 ging het heel wat minder in de zeildoek industrie. De fabriek sloot dan ook voor het einde van het decennium.
Omer voelde de bui aankomen en wou, zoals voorheen, wel op de Boelwerf beginnen. Dat was vele jaren zijn jongensdroom die niet uitkwam omdat er weinig volk werd aangenomen eind jaren 1960. Er ging ook het gerucht dat ‘de Wilford’ zou stoppen en dat de handel zou overgenomen worden door Wittock-Van Landeghem, dat toen al in de Gasthuisstraat was gevestigd.
De leverancier van de kolen, een zekere Kegels uit de Philemon Haumanstraat (’t Hof Van Kegels waar nu de wijk ‘t Foort ligt) was gekend door Omer. Op zeker moment vertelde hij zijn probleem, van sluiting en niet op de werf kunnen beginnen, aan die man. Die kende dan weer Jean Van Biesebroeck die eens zou kijken. Ondertussen kreeg Omer wel de kans om in het zwembad aan de slag te gaan, maar de werf trok hem toch meer aan.
Dat eens kijken van JvB mondde dus uit in een job op de werf. Alleen wist er blijkbaar op de personeelsdienst niemand van zijn komst. Maar eind goed al goed.
Enig minpuntje was dat iets verder om de hoek van Wilford, in de Kasteelstraat rechtover den Dacca, een etablisement was gelegen dat werd uitgebaat door Pierre De Bondt zijn eega (De Belgische Vlag ofte den Boeres). Pierre was werkzaam als kleermaker in de onderhoud. En wie frequenteerde dat etablissement, de Kegels van die kolen.
Zodoende was vlug geweten de Omer de fabriek zou verlaten, hetgeen hem nog enkele kwade weken bezorgde vol pesterijen.
Aangekomen in den onderhoud kwam hij dus bij Henri Heymans terecht en mocht hij aantreden bij de kraan-/rolbrugploeg. Een eerste kennismaking bestond gewoonlijk in een klimmetje op de kranen onder begeleiding van een ervaren rot. En die waren er voldoende: Albert De Ryck, Marcel Hofman, Frans Vereecken, William Andries,
André De Wilde en Willy Straetmans. Natuurlijk kwam er een klim op zo’n blauwe SGME kraan aan te pas. Voor Omer leverde dit geen problemen op.
Maar omdat hij een verleden van smid had diende hij van Mr Notre-Dame, de chef, nog een bijkomende proef af te leggen: een mechanische krik demonteren en terug monteren. Die krikken wogen zo’n 20 kilo en konden 50 ton heffen.
Die test leverde ook geen probleem op. Het grote pluspunt was dat Omer niet was vergeten de onderste druklager goed in te vetten. Cum laude geslaagd.
Tijdens werken aan één van de Hensen kranen moesten de pinnen van de zwenkkrans (groot cirkelvormig tandrad) worden vervangen. Een zekere brigadier Cools was pas van boord naar de onderhoud overgeheveld en die moeide zich nogal veel met het reilen en zeilen van de werkzaamheden en dit tegenover mensen die al jaren ervaring hadden. Een van die mannen was Remi De Vlieger en die vond het welletjes. Hij verwittigde die Cools dat hij beneden moest blijven of dat de bouten hem rond de oren zouden vliegen.
Wat inderdaad is gebeurd en die man liet zich niet meer zien.
Cristo Redentor
Fratsen uithalen was er altijd bij. Zo kwam Omer eens op met de late ploeg en zag een beeldje staan op de werkbank bij Eddy Riské. Die had het meegebracht en had al een bod gehad van ‘Beir’ De Ridder, 200 frank. Luc De Clippeleir, specialist onderhoud ontroester, vertelde Omer dat het nog te koop stond en dat hij zich bij Eddy moest aanmelden. En Omer zag dat wel graag en deed dus een bod. Zonder te weten dat er al een was geweest, bood hij 300 frank. Eddy Riské zei niks en klopte af op dat bedrag. Toen later den Beir binnen kwam was zijn beeldje al weg en hij in alle staten. Na een goed gesprek tussen den Beir en Omer klaarde de hemel tussen beide wederop op.
Het beeldje staat nog steeds ten huize Anné te pronken.
Nog een anekdote:
In het magazijn onderhoud stonden een serie schipperlantaarns, een tiental. En zo te zien stonden die er al heel lang. Omer wou graag zo’n lamp kopen en toog hiervoor naar Charel Vervynckt, chef centraal magazijn, die dergelijke zaken regelde.
Maar over een ander zijn magazijn had hij geen zeggenschap en dus Omer naar af.
Wel viel het hem op dat er na enige tijd precies een lamp minder was. Eerst dacht hij nog aan gezichtsbedrog tot hij duidelijk kon vaststellen dat er niet één maar meerdere exemplaren zoetjesaan verdwenen.
Uiteindelijk is hij aan geen enkele geraakt maar het schap geraakte wel leeg.
In 1992 kwam aan het ploegman zijn op de werf een eind. Zijn twee kinderen studeerden nog, hij was 54 jaar oud en stond zoals velen voor het dilemma, terug opstarten of andere job aannemen. De keuze voor een andere job draaide voor Omer bijzonder goed uit. Als ‘karweiman’ mocht hij nog ‘goed’ bijverdienen bij zijn toeslag van CAO-17.
Het rare aan die CAO was dat je, als je terug was opgestart en daarna in dat systeem stapte, je niet meer mocht/kon bijverdienen.
Wel herinnert hij zich nog goed een uitspraak van zijn buurman, dr Delbar, die met een rokende sigaar in de hand Omer vertelde dat hij teveel rookte.
Omer is gehuwd met Lucienne Laureys. Zijn schoonvader, Petrus Laureys was eveneens werkzaam op de werf.
Onderstaande foto is waarschijnlijk genomen begin jaren 1950.
Wie herkent er nog personen?

Rechtstaand: De derde van rechts is Petrus Laureys Uiterst linkse is Armand Buyens Op de knie zitten: vierde van links Toine Stuer (schoonvader van Eddy Riské)
Manneke
Willly van eynde
Willy begon zijn Boelwerfcarrière op maandag 1 juli 1957 op 16-jarige leeftijd.
Onmiddellijk na de vakschool, de St-Antonius vakschool te Sint-Niklaas waar hij een diploma A3 metaal had behaald, moest hij aan het werk. Natuurlijk volgde hij zoals zovelen voor hem nog avondles. In diezelfde vakschool behaalde Willy nog het B6/5 diploma machine bewerking.
In die dagen was het wenselijk dat er binnen een goed katholiek gezin een of meerdere kinderen ofwel pastoor of non werd. En bij Willy thuis was dat de oudste. Hij en zijn zuster en natuurlijk zijn vader zorgden voor het inkomen. De oudste ging naar het college en Willy naar de werf. Veel keuze was er trouwens ook niet. Via zijn nonkel Jef was hij al opgeschreven om in Temse te gaan werken.
1 juli 1957 fietst Willy s’morgens vroeg voor de eerste maal naar Temse. Hij was nog nooit veel verder geweest dan van de Dendermondse steenweg naar de markt van Sint-Niklaas. Als wegbeschrijving moest hij het doen met: Ga naar ‘Temst’ en rechtover de ingang van de kerk moet ge zijn, daar is de ingang van de werf in de Dijkstraat.
Er stond daar veel volk, maar ja, de werf was nogal groot hé. Tot de portier hem vraagt: “Awel manneke, wa komde doen? Ge zieda toch dat ‘t staking is! Kom binnen veertien dagen ees terug”
De Willy terug naar huis.
Veertien dagen later komt de Willy weer naar de ingang van de werf. Er stond niemand aan de poort. En de portier vraagt hem weer wat hij komt doen. Ditmaal kreeg hij als antwoord op zijn verzoek: “Awel manneke, ge ziet toch dat er niemend nie is, t’s verlof, komt over een week ees terug.”
De Willy terug naar huis.
En omdat driemaal scheepsrecht is toog de Willy op 22 juli 1957 definitief aan het werk in den onderhoud op de werf. De portier stuurde hem ditmaal door, ‘naar beneden tot de grijze poort en vraag naar meestergast Louis Smet’. De onderhoud was juist verhuisd van het atelier rechtover helling II naar de fabriekshallen van Van der Schueren. (Louis zijn zoon Eduard is later ook brigadier machinepark geweest in opvolging van Georges Van Britsom).
Zijn eerste en enige maat waar hij als helper bij stond was Henri ‘Rie’ Muys. Die deed de onderhoud van de verwarmingen op de werf en in een tiental directiewoningen. Ook heeft Willy een zestal jaar mee gedraaid als ploegman.
In dat jaar 1957 of 1958 werd (waarschijnlijk) de Onderhoud Altijd Paraat opgericht. Als kleine jongen herinnert Willy zich nog dat Jacques Raymond zijn eerste plaatje had opgenomen. Een exemplaar hiervan was een prijs voor de onvermijdelijke tombola op het mosselfeest, georganiseerd door OAP. Dit feest werd gehouden in de ‘feestzaal’ onder het dak van de ‘bouw van Orly’.
In de stookput nabij de schrijnwerkerij stond de ketel die zorgde voor de verwarming van de oude burelen en de schrijnwerkerij. Die leverde tevens warm sanitair water voor de douches in de kelder.
Zoals alle stoomketels diende deze dan ook regelmatig te worden onderhouden. Een van de taken bij het jaarlijks onderhoud was het vervangen van een smeltveiligheid onderaan de ketel. Die veiligheid, om overdruk te vermijden, was met schroefdraad in de huidwand ingeplugd. En dat diende op enkele uren tijd te worden geklaard omdat de douches in de kelder-en kleedruimte zo vlug mogelijk terug in werking konden gesteld.
Dus van volledig afkoelen was geen sprake, zodra de waterzijde van het stoomvat leeg was moest de jongste (en dikwijls kleinste) door het mangat de ketel in. Dat jobke werd uitgevoerd in bijzonder warme en vochtige omstandigheden, temperaturen tot meer dan veertig graden waren geen uitzondering. De Willy weet er nog alles van.
Voor opdrachten buiten de werf, bij de ‘grote’ bazen, moest het team ‘Rie & Willy’ steeds een wagen aanvragen bij Charel Vervynckt, de chef van het algemeen magazijn. Later beschikte de onderhoudsdienst zelf over enkele wagens en was die aanvraag, een dag op voorhand, niet meer nodig.
Maar van diens zoon leerde Willy dat er dertien maanden in een jaar waren. Ah ja, want zijn vader, Charel dus, kreeg een dertiende maand uitbetaald.
Bij Van Dycke was er ooit een ‘mankement’ in de ondergrondse mazouttank. Nadat deze was geleegd werd de herstelling uitgevoerd, alweer door de kleinste natuurlijk. De Willy kwam na een korte periode een beetje dizzy uit het vat gekropen. Om te bekomen kreeg hij een flinke Cognac. (Van Dycke en Jacquet woonden achter de OLV kerk, in de vroegere woning van Frans Boel die, uiteraard, was opgedeeld)
Het gebeurde meermaals dat de Rie dringend naar de Oeverstraat moest bij Van Briel. En dat was meestal ‘s morgens en de Willy moest ook mee. In eerste instantie moest er worden aangezeten aan de keukentafel en werd gevraagd wat ge moest drinken. “Voor dat manneke ietske wit of rood?”
Om een of andere reden moet een af te breken schip geballast worden om dieper te liggen. Hiervoor stond een op dieselmotor aangedreven pomp aan boord van dat schip. De dieselbrandstof raakt op alvorens de nodige diepgang was bereikt. Met een vlet3 moest de Willy bussen van 20 liter via een touwladder aan boord brengen zonder in het water terecht te komen, een huzarenstukje.
Tijdens zijn legerdienst nabij Keulen werd hij sergeant en diende in de ‘recuperatie’ compagnie. Hier kwam zijn opleiding B6/5 goed van pas. De remmen van een serie vrachtwagens moesten dringend hersteld worden voor grote maneuvers. Daar hij goed kon draaien kreeg hij de opdracht om de remschijven van die vrachtwagens op te zuiveren. Wegens de dringendheid deed Willy nogal wat uren, tot laat in de nacht. Dat leverde hem nogal wat krediet op bij de CSM (Companies-sergeant-majoor). Een avond of weekend vergunning verkrijgen was daarna een fluitje van een cent. Maar bijtekenen heeft hij niet gedaan.
Door de jaren kwamen er steeds meer verwarmingstoestellen op de werf, denken we maar aan de Cokeswerken warme luchtblazers of de heel grote units warme luchtblazers, onder andere gebruikt aan boord om de ruimen te verwarmen. Zodoende verliet Willy de ‘ploegmannenploeg’ en focuste op de verwarming en vervoegde hij de ploeg van Leon Perdaen.
Tijdens de oliecrisis, begin jaren 1970, gaf Raymond Notre-Dame, ingenieur energiebesparingen, de opdracht om op alle radiatoren een thermostatische kraan te plaatsen. Na enkele dagen met die job bezig zijnde, moest hij op een morgen bij Notre-Dame komen. Die had klachten gekregen.
Wat bleek, iemand op één van de burelen had gebeld om te reclameren over die ‘schuffeleir’; dat de Willy een opgewekte fluiter was stoorde blijkbaar.
Als ploegman stond hij eerst afwisselend bij een elektricien. Dat kwam omdat er drie elektriciens ploegmannen waren tegenover vier paswerkers. Dat wisselen kwam goed uit zodat Willy in zijn ‘vrije’ week dan aan de verwarming kon werken. Bij het pensioen van Rie veranderde dat en kwam Willy in de dagploeg te staan.
.
Tijdens een nachtshift stonden de ploegmannen, Albert De Wilde en Willy, bij de waker als er aan het hek een auto stopte. Voor de waker van dienst, ene Goffa, was het zijn eerste werkdag. De automobilist was niemand minder dan de grote baas:
“En de Goffa vraagt aan meneer Van Damme wat er is. Die vraagt beleefd om binnen te mogen. De Goffa geeft geen kik en laat de Baas staan. Die op zijn beurt aandringt waarop de Goffa zijn paspoort vraagt: iedereen kan zeggen ik ben de baas! Afijn, enige tijd later gaat het hek open en verdwijnt Georges Van Damme naar zijn appartement.
De andere wakers aanhoren de Goffa zijn verhaal en vrezen dat het zijn eerste en laatste werkdag zal zijn geweest. Bij zijn volgende nachtshift moet de Goffa eerst naar de bureau gaan bij Jean Van Biesebroek. Het ergste wordt gevreesd, zijn A4 ligt klaar!
Niks is minder waar, Goffa wordt geprezen en gefeliciteerd dat hij zijn job zo goed heeft uitgevoerd.”
Na 35 jaar eindigde voor Willy het Boelwerf avontuur. Pas 51 jaar en verplicht op pensioen moeten, het komt hard binnen. Maar goed gezond en graag werkend, kwam zijn ervaring als verwarmingsspecialist goed van pas. De weg naar Temse kende hij al en dus werd menige gas- of mazoutbrander vakkundig hersteld.
Als lid van meerdere vereniging werd ook zijn vrije tijd goed gevuld. Trouw kwam hij ook maandelijks op de eerste woensdag naar de kantine van KSV. Daar kwamen de ‘op rust gestelde’ Boelwerfveteranen samen om te praten.
Samen met o.a. Willy Straetmans en Eddy Groenwals werden quizzen of kaartspelen georganiseerd.
Ook thuis had Willy de handen vol met de kleinkinderen die nogal wat aandacht nodig hadden.
Bij deze is er nog een leuke ervaring te melden. Willy heeft ooit de kans gehad om met Daniël Tempels, ‘moteurkesman’ en kundig piloot, mee het zwerk te kunnen verkennen.
Volley Jef
Jozef Tinck
Deze getogen Terekenaar werd geboren in de Smisstraat in 1945 te Sint-Niklaas. Na de lagere school op Tereken volgde hij les op het O.L.V.-plein, op de VTS zoals nog vele anderen die later ook op de werf te Temse terechtkwamen.
Voor Jef was dat in 1966. Hij begon zijn professionele carrière in ‘den onderhoud’ als draaier. Eerst op het ‘kleine’ draaibankje’ waar ook Jacques Raymond, Freddie Vereecken en Thierry Saman hun eerste werkjes afleverden. Dit pas na het afleggen van een proef, gecontroleerd en goed bevonden door Raymond Notre-Dame, de chef. Na een korte periode ging het dan naar de ‘grote’ draaibank, een job die hij enkele jaren uitvoerde.
Hierna vervoegde hij de ‘bandenploeg’ die bestond uit Lucien Van Bunderen, zoon van de Lange, en o.a. Albert Vervynckt, Frans De Graaf en Gerrit De Rechter.
Vanaf 1970 werd Jef vaste ploegman. Hij werd de compagnon van Albert De Wilde, ze bleven 13 jaar twee handen op een buik. Na de oppensioenstelling van Albert (1981 na 39 jaar dienst) werd André Waterschoot zijn vaste maat als elektricien gedurende 14 jaar, tot het eerste faillissement.
De vaste ploegen waren in de periode jaren 1970 tot halfweg jaren 1980: Albert De Wilde/Jef Tinck – Karel Van Broek/Marcel Hofman – Arie Vercauteren/Omer Anné.
Marcel Hofman heeft daarvoor nog deel uitgemaakt van de ‘kraanploeg’ met Albert De Ryck en Frans Vereecken. Er was een wisselwerking tussen zowel de kraanploeg als de ‘rolbrugploeg’ met André De Wilde en Willy Straetmans. Volgende mensen maakten vanaf 1970 kort of lang ook deel uit van deze ploegen: William Andries, Jef(ke) De Kerf, Luc Van de Perre, Marc Ysewijn, Jozef Van Eemelen, Guy De Koster, Guy De Pauw, Hugo Van Britsom, Bert Oelbrandt, e.a.
Maandagmorgen waren ploegmannen (onderhoud) reeds om 04u30 op de werf. Het was hun taak om de elektrische cabines te schakelen en de ateliers, hellingen en dok van de nodige energie te voorzien (elektriciteit, lucht en brandersgassen) en ook de nodige verlichtingen op de banen te ontsteken.
Als ploegman kon je soms wel eens voor bijzondere opdrachten komen te staan.
Pas terug van hun ronde op zo’n extra vroege maandagmorgen ging de telefoon al over. Van de Kockskraan kon de hulphijskaak niet zakken.
Omdat het nog donker was, dacht men eerst aan een elektrische storing maar dat bleek allemaal in orde. Wat was er dan wel aan de hand?
Na controle van de hijstrommel en de rem bleek het probleem zich ergens anders te situeren. Dus werd het hogerop gezocht. Zoals wel meer bij dergelijke ‘werkjes’ was het niet alleen donker maar ook bijzonder koud door een ijzige wind.
Wie zich de Kockskraan nog herinnert weet dat het onder deze omstandigheden al geen pleziertje was op die hoogte. Uiteindelijk bereikte Jef en André dan de kop waar de oorzaak werd gevonden: de kabel was uit zijn leischijf gelopen en vast komen te zitten.
Wat men ook probeerde, met mankracht alleen was er geen beweging in te krijgen.
Door de koude was het vet tussen schijf en kabel verhard, een euvel dat ook bij de PHB kranen regelmatig voorkwam in de winter. De kraanmannen wisten toen dat ze bij vrieskoude eerst even moesten controleren of de kabel wel loskwam van de leischijven alvorens de haak van zowel de hoofd- als de hulphijs verder te vieren.
Ook opdrachten aan de blauwe SGME kranen waren niet altijd leuk, zeker in barre omstandigheden zoals regen of koude wind.
Nota van de notulist:
Wie nog maar een beetje hoogtevrees had moest hier niet aan denken. Te beginnen met die rechte ladder binnen de toren waar geen eind aan leek te komen, zeker als die op het ponton stond opgesteld tot op 32 meter hoogte. En dan moest je nog op die moeilijk te bereiken fles ofte giek. Over die giek moest je bovendien aan de buitenzijde heen gaan, gedeeltelijk op ronde buizen. Het ‘gangpad’ kon je enkel gebruiken om je materiaal in te leggen. Hier was het motto van de kraanploeg absoluut van toepassing: één hand om te werken en drie steunpunten voor de veiligheid.
Als aandachtige lezer zal je nu vragen naar de PMB’s. Wel buiten de klassieke helm, schoenen, handschoenen was er de heupgordel. Deze werd enkel gebruikt als je niet anders kon dan met twee handen werken. Op die manier had je opnieuw drie steunpunten (en de helm werd, zeker op die ‘blauwe’ kraantjes, beneden gelaten).
Jef is terug heropgestart bij Boelwerf Vlaanderen. Maar dat was niet zoals verwacht als ploegman in de onderhoud maar wel als buizenlegger aan boord. Na een zestal maanden kon hij terug postvatten in de onderhoud bij Pascal Van Buynderen. Herstellen van laskabels en luchtslangen was zijn laatste Boeljob.
In volleybalmiddens is Jef, zeker in het Waasland, bekend als volley-pionier. Als uitstekend passeur bij Sint-Niklase Volleybalclub heeft hij vele mooie jaren gekend in de hogere reeksen. En trainen is/was geen vies woord, en een kermis is een geseling waard evenmin. Iets na zijn dertigste verjaardag stapte Jef over naar Hades Temse waar Ronny Martens o.a. deel van uitmaakte. Hier vierde hij, net zoals bij Sint-Niklase mooie triomfen. En hij deed dat nog eens over bij Volley Velle. Daar zat ene Patrick Michiels aan het roer.
Als 15-jarige kreeg Jef de volley microbe te pakken. In brouwerij De Kroon in de Nieuwstraat in Sint-Niklaas lag het terrein van de nieuwe club ‘Sint-Niklase Volleybalclub’, kortweg SNVC. Korte tijd later was er de verhuis naar garage Uilenspiegel op de markt. Daar moest men alvorens te trainen en spelen eerst alle auto’s verzetten en de vloer ontvetten. Uiteindelijk kon de ploeg terecht in de VTS. Daar vertoefden ze vele jaren en vestigde de club een record van zeven seizoenen ongeslagen aan huis.
Later werd aangesloten in 3e nationale bij de Belgische bond. Na enkele moeilijke jaren ging het spelpeil steeds crescendo en werd 1e nationale bereikt. De legendarische wedstrijden op verplaatsing naar VC Temse werden bijgewoond door meer dan duizend supporters.

SNVC in Ereklasse: vlnr Boven: Jef Tinck, Raoul De Bock, Guy Joris, Dirk Engelaar en coach Antoine Speleman Onder: Dirk Lievens, Peter Maes, Luc Speleman, Chris Martens en Frank Van Eycken
Omdat het spelen op een hoog niveau heel wat training vereist heeft Jef toch heel wat regelingen moeten treffen. Gelukkig waren trainingen in die periode bijna altijd
‘s avonds. Met de vroege ploeg was het geen probleem. In de late ploeg was het goed geregeld met de collega’s, die wel al eens een tijdje langer konden blijven (en dat onderling compenseerden). Als Jef met de nachtploeg moest opkomen, die begon om 21u, was het soms ‘reppen’ om op tijd te zijn. Maar ook hier waren diezelfde collega’s steeds bereid om zich aan te passen.
De tijd van springen en blokken is lang voorbij. Het skiën heeft zijn passie voor sport goed gecompenseerd, de vele winterstages vormden een leuke periode. En die kon hij makkelijk plannen in de schoolverloven gezien de vele overuren die werden gemaakt.
Als elektricien naar de lasschool
Arthur mettepenningen
Arthur begon zijn Boelwerfloopbaan op 12 januari 1970. Hij had het diploma van elektricien behaald maar… kon naar de lasschool. Daar kreeg hij de kneepjes van het vak aangeleerd door Aimé Van de Velde en Jacques De Blieck.
Na die opleiding ging het naar boord, te beginnen op de laatste zeebarge (bouwnummer 1462 – Heist, duw/sleepbarge van 13.980 ton).
De elektricien aan boord, Kamiel Weyn werd ziek en Arthur stelde zich voor aan meestergast Cyriel Van Landeghem, of hij met zijn diploma Kamiel niet mocht vervangen. Die was akkoord op voorwaarde dat hij, bij terug komst van Kamiel, terug de lastang ter hand zou nemen. Maar eens geproefd van de andere stiel was dat lassen eerder eentonig. Dus trok hij zijn stoute schoenen aan en nam contact op met Kamiel Foubert van de personeelsdienst. Die had het niet graag maar ging uiteindelijk toch overstag. Zodoende werd Arthur fulltime elektricien aan boord. Dat bleef hij ook een tijdje na zijn legerdienst.
Toen men op de werf iemand zocht om als ‘infirmier’ de dienst EHBO te versterken, bood Arthur zich aan. Zo was hij enkele jaren, in ploegsysteem, de assistent van onder andere Bergie Vermeiren, Sonja Heyse en collega van Eddy Matthijs en William Heirman.
Rond 1980 stapte hij dan over naar de onderhoudsdienst om het team van Gust De Bock en Martin Bressinck te vervoegen. Als elektricien onderhoud was hij eindelijk op zijn plaats. Aldus verving hij regelmatig de vaste ploegman als die een halve dag verlet nam of verlof had.
Ook hij heeft het meegemaakt dat er op de Kockskraan (A16) een lamp stuk was in de winter tijdens de morgenshift. En zoals het weleens meer gebeurde, werd de sneeuw door een ijzige wind volop in het zicht geblazen. Een rotklusje noemden we dat toen. Maar het bleef altijd bijzonder opletten en voorzichtig zijn op dergelijke werkplekken.

De Originele Boelwerfvlag van de harmonie, hier getoond door Arthur Mettepenningen en Jean De Block, is in het bezit van Op Stoapel.
Arthur is niet meer opgestart bij Boelwerf Vlaanderen.
Allereerst kon hij als elektricien aan de slag bij Sovabo, een huisvuil verwerkingsbedrijf. Niet veel later vroeg Chati, bekende zelfstandige ondernemer elektriciteit om bij hem te komen werken. Toen daar de druk van de ketel was kon hij aan de slag, bij Besri in Gent. Na een korte tussenstop bij Leenaerts-Blommaert verliep zijn loopbaan vanaf dan voor ENI in Aartselaar. Dat bedrijf is tijdens zijn loopbaan aldaar enige malen veranderd van eigenaar en naam zodat hij onder andere heeft gewerkt bij Fabricom.
In zijn laatste job, op de elektriciteitscentrale van Rodenhuize bij Gent, heette de firma Equans.
Arthur ging op 58 jaar met brugpensioen.
Genoteerd door Hugo Van Britsom
Met dank aan Arie, Omer, Willy, Jozef en Arthur, en Marc Hauman voor het nalezen.
Foto’s: Omer Anné, Willy Van Eynde, De Zaat en Archief Op Stoapel
1 De onderhoudsdienst is pas begin jaren 1950 opgericht als aparte afdeling op de werf. Het eerste atelier bevond zich rechtover helling II. De verhuis naar de voormalige spinnerijen van Van der Schueren vond plaats in 1959. Het dubbele atelier werd ingenomen door de paswerkers aan boord en de schippers. De paswerkers kwamen naast het plaat- en profielatelier. De schippers kwamen ernaast met de kleine magazijnen van ENI als geburen.
2 Theofiel Van Pee, den Brusseleir, kwam in 1946 naar Temse tijdens zijn legerdienst. Blijkbaar waren er in die periode soldaten ingekwartierd in het Kasteel. Omdat er in die oude gebouwen geen afdoende sanitair was mochten de rekruten zich gaan douchen op de werf. Zodoende maakte Theofiel kennis met de werf en dat sprak hem wel aan. Het jaar erop kon hij er aan de slag als elektricien.
3 Bijboot of werkschip









