Interview met Emiel Buytaert

(  in de werf terug te vinden onder nr. 1699 )

Op 10 augustus 1935 werd er in de Scheldestraat, bekend in Temse als ’t Veldstraatje, onze interviewgast geboren in het huis naast het hoekhuis (voorheen nog Schoenwinkel Meersman) en rechtover de latere fietsenmaker Remi Huyben. (Een van de zoons Huyben heeft nog als elektrieker in de onderhoud gewerkt)

Dit interview vond plaats in residentie St-Gabriel, de serviceflats in de Kouterstraat.

Zijn ‘thuis’ stond bij het begin van den oorlog kort in de Vooruitgangstraat en daarna in de Hofstraat alwaar de familie Buytaert in het kleinste huizeken van Temse woonden. Die Hofstraat bestaat al lang niet meer maar de naam verwijst nog naar hoe de ‘wijk’ bekend stond in Temse: Den Hogen Hof.

Hier bracht Emiel zijn jeugd door, samen met enkele bekende volksfiguren uit Temse. Den Bruine Peer en Charel Smet zijn er twee van. Na zijn huwelijk met Jacqueline Moerman trok het echtpaar in bij zijn schoonmoeder in de Kapelstraat te Steendorp. Korte tijd later betrokken ze de woning ernaast. 12 jaar later verhuisde het gezin naar de Gebroeders Van Raemdonckstraat *1.

De schooltijd van Emiel was, zoals bij velen in die tijd, beperkt tot het bereiken van de leeftijd van 14 jaar. De lessen werden gevolgd bij de Broeders Van Liefde in de Akkerstraat, in het St-Willebrordus Instituut. Ernaast was de Vrije Technische School gelegen, gesteund door Frans Boel en de Geestelijken van de Parochie. Na het 7e en 8e studiejaar mocht Miel niet maar naar de Broederschool en toog dan, tot het bereiken van de 14e verjaardag maar naar de Gemeentelijke School.

Eens die datum aangebroken begon de professionele loopbaan van Emiel bij Wittock-Van Landeghem in de Kasteelstraat. Hoe hij daar terecht kwam?

Wel zijn Tante Lisa Buytaert-Veyt werkte er als conciërge en loodste hem dus binnen. Spoelendrager was daar meestal de eerste job voor die jonge snaken. Na enige tijd konden ze dan als leerling bij een oudere de weversstiel aanleren. Emiel werd dan helper van o.a. ene Vervinckt. Diens zoon André had later een kleermakerswinkel in de Akkerstraat, naast de inrit van garage Meeus. Bij WvL werd zeildoek in velerlei vormen geweven: luifels, bachen voor vrachtwagens en militaire onderdelen zoals getten, riemen en dergelijke.

Na zijn legerdienst trok hij opnieuw richting Wittock-Van Landeghem. Echter, men had niet onmiddellijk nood aan arbeiders en dus de week erop kwam er geen zaad in het bakje. Gelukkig bleef het bij één week.

Miel zijn broer Tuur, werkzaam als monteerder op de werf, raadde hem aan om zich te laten opschrijven ben Den Boel. Een loonverschil van 4 à 5 frank was overtuigend genoeg. Na een kort medisch onderzoek werd hij goed bevonden en mocht hij zich presenteren op de personeelsdienst. Een koude douche volgde al snel. Wittock had gebeld naar Boel dat hij geen personeel meer mocht aannemen van WvL, die dreigde zonder geschoold personeel te raken. Zijn ontslag had Miel al gegeven en het duurde nog veertien dagen alvorens hij eindelijk aan de slag kon als Scheepsbouwer.

In 1957 huwde Emiel met Jacqueline Moerman (Dus volgend jaar vieren ze het Platina huwelijk.) Er werden vier kinderen geboren uit dit huwelijk.

Het koppel bij hun diamanten huwelijk

Zijn eerste job op de werf, herinnert Miel zich nog perfect. Onmiddellijk aan de slag gaan als stokhouder (de persoon die tijdens het klinken een zwaar stuk staal tegen de kop van de klinknagel gedrukt houdt ) op de kleine helling en in de kop van een spits was een dikke teleurstelling. Bijkomend had Miel ooit zijn pols eens gebroken en die slagen opvangen deed bepaald geen deugd. 

Dus toog Miel naar Albert Bressinck, een oude gebuur, en legde hem het probleem uit. Hierop werd hij als helper monteerder tewerkgesteld op helling III en IV. Tuur Engels, vader van Raoul, was een van zijn leermeesters.

Op zijn nieuwe werkplek kwam er nood aan een reservekraanman op KBII. Miel dacht, hoog en droog (en warm), die job spreekt me wel aan. Die kraan A5 was toen al niet meer zo jong (bouwjaar 1939). 

Deze was eerder bekend als de Titankraan van de Lone. *2

De Lone is de Leon Peirsman die menige kraanman heeft opgeleid. Er waren echter wel enkele speciale punten waarop men als kraanman diende te letten: De rem van het zwenken durfde weleens te ‘flessen’. En vermits die rem bediend werd met een voetpedaal en een kabeltje diende de bestuurder flink op die pedaal te duwen. Wat soms wel eens tot krampen in het been kon leiden. Bovendien, de zware constructie van de ‘fles’ (kraanarm) pakte nogal wat wind, zeker als die nogal strak was. 

Voor het overschakelen van klein hijsen naar groot hijsen, van 4 ton naar 25 ton, diende de lasthaak op de grond te worden gelegd. (anders liep de lier volledig af en was er gevaar op kabelbreuk) . Lasten boven de 5 ton moesten op kleine snelheid worden gehesen.

Hiervoor hadden Albert De Ryck en Frans Vereecken een systeem op de tandwielkast geplaatst zodat het overschakelen eenvoudiger en zonder gevaar kon gebeuren

Na enkele jaren als kraanvoerder op verschillende kranen voelde Emiel zich niet meer zo zeker in een kraan. In Blok I was men op zoek naar een rolbrugvoerder en zodoende kwam hij bij Julien De Grave terecht. Rolbrug 4 werd zijn vaste stek. Hoog in het houten bakje was het soms wel eens wat frisjes. Gelukkig is deze oude rolbrug later uitgerust met een gesloten cabine. Tot het einde van zijn Boelwerfcarrière voerde hij menig plaat en profiel naar zijn juiste bestemming, af en toe reed hij als vervanger ook in RB7. Ook al was er voor Emiel nog plaats op de werf, in samenspraak met zijn gezin werd in 1986 besloten om zijn brugpensioen aan te vragen.

Een carrière op de werf die ook zijn veelzijdigheid en inzetbaarheid etaleerden. Zo was hij ook tijdelijk werkzaam als monteerder bij het verbreden van de Scheldebrug. Het bewegend gedeelte van de brug overspande oorspronkelijk 30 meter, maar door de explosieve groei van Boelwerf in de jaren ’50 was dat ontoereikend geworden. 

 

In 1963 werd een nieuw beweegbaar gedeelte geïnstalleerd met een overspanning van 50 meter, waardoor Boelwerf ook grotere schepen kon bouwen. En hier herinnert Miel zich dat Benoit Van Esbroeck (Broer van Kamiel, kraanman in de A6) instond voor de aanvoer van materialen. Hiervoor moest die Benoit veelvuldig omrijden via Dendermonde en dat vond Ing. Van Dycke toch een beetje ridicuul. Dus werd een ponton besteld. 

Eenmaal geladen op de werf voer die ponton in de geul en deed de getijdewerking de rest. De benodigde materialen konden eenvoudig afgenomen worden. Bij de ‘brug’ werkzaamheden stond hij bij Chef Ben Van Wouwe en Brigadier François Van Havere. Oswald De Waele zorgde in zijn ploeg voor het transport van de werf en via het ponton naar de brug. Er werd gewerkt in ploegen van 12u met een wissel op zaterdag. Die dag werd er maar 8u gewerkt.

Ook als stellingmaker heeft hij een tijdje samengewerkt met Omer Bogaert, vader van Jan. (Jan nog bekend van de Blauwe Garde als liefhebber)

Smeren en oliën van tandwielen en lagers was in vroeger tijden een taak voor de rolbrug- en kraanvoerders. Op bepaald moment werd dit overgenomen door de onderhoudsdienst. Miel herinnert zich nog Gerard Moonen en (diens schoonzoon) Franske D’Hertefeldt nog goed. 

 

Met dank aan Emiel en Jacqueline voor de gastvrijheid

Genoteerd door Hugo Van Britsom

Bedankt Marc Hauman voor het nalezen

Foto’s: archief Op Stoapel

 

*1 Een overval van de Bende van Nijvel vond plaats bij Zeildoekmakerij Wittock-Van Landeghem. Het bedrijf, alwaar Emiel in zijn jeugd nog als spoelendrager had gewerkt, paalde aan de tuin van zijn woning in de Gebr. Van Raemdonckstraat. De schoten en de nasleep ervan staan nog steeds haarscherp in het geheugen gegrift.

*2 De “Lone” zijn kraan gaat eraan.

Artikel uit de Zaat nummer 399, 1980.

 

 

Rechts op de foto staat Titankraan nr. V, tussen helling III en IV.

 

Foto genomen bij de stapelloop van de Prins Laurent (Bouwnummer 1477) in 1974. Bemerk de sleden waarop het schip te water is gegleden, de hoofdslede in het midden en de kleinere sleden SB en BB.

Links zie je de arm van kraan VI en een blauwe SGME-kraan, waarschijnlijk A19. Verder staan er de energie masten, vier stuks.

Helemaal vooraan links zie je het gebouw met het ronde venster, hier was de  hoogspanningscabine en aanpalend de compressor zaal.

 

 

 

 

 

Kraan A5 op de kop van de pier, KBIII Op stroom de Coral, Bwn 1505 uit 1982

Smeerders Luc Van Cauwenberg, Jean Berger en Gaston Borgt aan het werk op een Hensenkraan.

 

 



Copyright Op Stoapel VZW   |   site by WebXclusive®, digital marketing agency

Facebook Iconfacebook like button