Zoals zovele jonge mensen was Rover verplicht om op 14-jarige leeftijd te gaan werken.
Onze gast werd geboren in 1937 en vatte zijn loopbaan aan op 1 juli 1951. Op die dag ging hij via de grote bruine poort binnen bij textielfabriek Wittock-Van Landeghem *1, rechtover waar vandaag bakkerij Bolsens is gevestigd in ’t Veldstraatje (Scheldestraat). Naast de poort was in die tijd nog een klein groentewinkeltje, de boerkes.
Zijn eerste job bestond erin om volle spoelen, klos waarop garen gewonden wordt, van de bovenverdieping naar beneden te dragen in een mand. De wevers plaatsten die bobijnen dan op het weefgetouw. Dit op spoelen brengen van de weefdraad gebeurde uitsluitend door arbeidsters. Af en toe waren er geen spoelen klaar en kreeg onze jonge gast onder zijn voeten. Het ongeduld van de wevers werd opgewekt omdat die werkten per lopende meter. Geen spoelen betekende geen productie en dus minder loon. En dus liepen ze soms zelf naar boven.
Maar dat over-en-weergeloop van een warme ‘bobinerij’ doorheen een koude gang en traphal naar een warme weverij eiste zijn tol. Na een klein jaar werd onze jonge gast ziek, ‘fleuris’ (pleuris). Omdat ook in het gezin van Rover centjes moesten binnenkomen, vader *2 was ziek en zijn broer vervulde zijn dienstplicht in Duitsland, werd er eerst even afgewacht om naar de dokter te gaan. Resultaat was dat er complicaties optraden, (natte) ‘waterfleuris’. Dr. Frans Van Der Mijnsbrugge heeft hem er terug bovenop geholpen.
Na zijn ziekte keerde Rover na een drietal maanden terug naar de fabriek. Hij kon terug aan de slag maar nu als scheerder van ‘bomen’. In dit geval geen natuurlijke bomen maar ‘assen’ (grote spoelen) waarop draad in een bepaald patroon werd gewikkeld. Dit was een regelmatiger job die wel de nodige aandacht en concentratie vroeg. Korte tijd later werd hij bevorderd tot singel wever, voor een piepjonge gast een hele stap vooruit. Met ‘singels’ worden repen bedoeld, riemen en gordels die meestal voor het leger waren bestemd.
Rover volgde na zijn intrede op de arbeidsmarkt nog vele jaren bijscholing via avond-, zaterdag- en zondagschool. Zijn buitengewone interesse voor alles wat met elektrische stroom te maken had, stimuleerde hem enorm. Aan de vakschool in de Akkerstraat (toen de Franklin Rooseveltstraat) volgde hij dan ook de opleiding tot ‘elektrieker’. Deze opleiding was zeer breed en bracht hem de nodige kennis bij.
Maar de firma Wittock-Van Landeghem had uitbreidingsplannen. Die werden gerealiseerd in de Gasthuisstraat ter hoogte van het kerkhof. Door de uitbreidingsplannen en de verhuis een tweetal jaren later (ongeveer 1954) viel de singel wever zonder werk. Doordat de fabriek een tijdje stillag en in de Gasthuisstraat de productie nog diende opgestart, was een deel van de arbeidskrachten overbodig en stonden die zonder pardon aan de dop.
Zodoende ging het alsnog richting de scheepswerf. Bij de portier aangekomen vroeg hij of ze geen elektriciens nodig hadden. Die portier, Peer De Rechter, had geen weet van nood aan kilowatt mannen maar wel aan buizenleggers. Dus onze gast naar Albert Bressinck. Die stelde hem ook voor om te beginnen als buizenlegger, met de belofte dat als er een plek voor elektricien zou vrijkomen, hij verwittigd zou worden.
Bij de buizenleggers aan boord, bij Willy Pattyn, leerde hij alles over buisjes en koper nodig voor de automatisatie. Zijn maat waar hij bijstond was een zekere Dhaen uit de Kasteelstraat. Deze man zijn moeder hield een rookwaren- en drankwinkel in de Kasteelstraat rechtover waar nu het Gemeentemuseum is gevestigd.
Bij het bereiken van de leeftijd van 19 jaar werd hij opgeroepen om zijn dienstplicht te vervullen. Na twee maanden opleiding voor radiocommunicatieoperateur werd hij naar Arnsberg Duitsland gedetacheerd. Hier oefende hij de job van radiohersteller uit, dankzij zijn opleiding in de vakschool. Rover was nogal vlug van aannemen en kon rap zijn plan trekken op dit gebied, zelfs zodanig dat de beroepsmilitairen zich bedreigd voelden. Sabotage van zijn werk was zijn deel maar hier heeft hij ook veel uit geleerd.
Zijn eerste trip in Duitsland duurde wel drie maanden en dat is danig lang. Zelfs zolang dat hij zijn liefje niet meer herkende. Hij vroeg zich af wie dat mooie meisje was aan het station. Al bij al vond hij het toch een schone tijd in het verre Duitsland.
We zijn dan oktober 1957 als Rover zich terug aanbiedt op de werf (toen nog Scheepsbouwwerven Jos. Boel & Zonen), alwaar gekende Albert Bressinck samen met De Lange Van Bunderen hem aanraadden terug zijn job als buizenlegger op te nemen. Maar hij drong aan dat hij toch voor elektricien had gestudeerd en bovendien een mooi rapport van de vakschool kon voorleggen. Na wat getreuzel werd een plaats gevonden als elektricien aan boord. Via het voorgelegde diploma kreeg hij zelfs een opslag. En dus ging hij aan de slag aan kraanbaan I. Op de voor de Schweizerische Reederei AG *3 in afbouw zijnde schepen. Later werd nog een tijd doorgebracht in Blok III waar, op de toen nog bestaande hellingen, onderdelen voor een dok werden gebouwd (een drijvend droogdok in opdracht van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij – bouwnummer 1344).

Blok III is gedeeltelijk overdekt en pas later volledig dichtgemaakt. De helling links is helling VII, de twee rechts zijn eind jaren 1960 begin jaren 1970 geëgaliseerd en op gelijke hoogte gebracht met de rest van blok III. Foto: archief Op Stoapel.
Dankzij zijn maat, die in ‘den onderhoud’*4 als elektricien werkte, kwam hij dan toch terecht in ‘den atelier’ begin jaren 1960 om er te blijven. En zoals eerder aangehaald, Rover was ‘vlug van oppakken’ en was weldra zelfstandig elektricien.
Wel was er in die jaren nog een anomalie in de opdeling van de looncategorieën. Als zelfstandig vakman, iemand die zijn stiel kende en beheerste, kon je een hogere categorie bereiken, 1A. Curieus genoeg was dit niet zo voor de elektriciens. En dus kwam die beroepsgroep in opstand en weigerde overuren te maken. Na bedreigingen, buiten of werken, werden de acties gestopt.
En toen kwam daar de ramp met de POMONA *5. Dit fruitschip lag aan de afbouwkade toen het door een opstaande kraan water binnenkreeg. Dan had men wel degelijk de elektriciens nodig. Naderhand was het geschil vlug opgelost en werden ook de kilowattmannen als volwaardige stielmannen aanschouwd en betaald.
De volgende jaren was Rover een gewaardeerde medewerker en werd hij ingezet om de paneelstraat *6 te helpen oprichten. Begin jaren 1970 werden de hellingen (in het toen nog open) Blok III vlak gemaakt en werden de nodige vloeren aangebracht om er de vlakke secties samen te stellen. De paneelstraat was een halfautomatische lijn waar tot vijf platen (2.2mx12m) werden samengevoegd. Hierop werden dan de spanten gemonteerd. De plaats waar die kwamen en hun onderkant werden eerst nog ter plaatse gezandstraald alvorens te worden afgelast. Om dit geheel van platenrollen, zandstralen, lasmachines en rolbruggen te laten samenwerken kwam heel wat gezond verstand van pas. Dergelijke uitdagingen tot een goed eind brengen was hetgeen de job aangenaam maakte.
Een ander vergelijkbaar project was de automatisatie van de duwmachines. Waar er vroeger drie werknemers per duwmachine werkten, schakelde men met dit project over op eenmansbediening.
Natuurlijk bleven de gewone herstellingen zich regelmatig aanbieden en werden die met evenveel aandacht behandeld.
En dan kwam het faillissement van de scheepswerf. Al had hij goed en afwisselend werk, goede en fijne collega’s en bazen en kwam hij met heel veel goesting naar het werk, uiteindelijk was hij ook niet helemaal ontevreden dat het voorbij was.
Met dank aan Rover
Opgetekend door Hugo Van Britsom
Met dank aan Marc Hauman voor het nalezen
nota’s
*1 Wittock-Van Landeghem
Is opgericht in 1854 als een zeilmakerij die zich toelegde op een zeer specifieke markt. Men produceerde er onder andere allerlei soorten dekkleden voor militaire en burgerlijke voertuigen, tenten, rugzakken, kitbags, gereedschapstassen, camouflagevesten, beschermvesten en dergelijke. Goederen waarin veiligheidsdiensten en het leger erg geïnteresseerd waren/zijn. Op zijn hoogtepunt stelde WVL 150 mensen te werk. In 1992 vierde de firma met groot vertoon nog zijn 150e jubileum maar enkele jaren later werd WVL overgenomen door TIS textiles. Een jaar later, 1996, nam Sioen Industries het geheel over.
In 1999 vonden de laatste activiteiten plaats van het textielbedrijf Wittock-Van Landeghem.
Eerst was er sprake van de oprichting van een winkelcentrum, maar uiteindelijk kreeg in 2021 het plan zijn definitieve vorm. Er komen 93 wooneenheden. Voorlopig ziet het er echter niet naar uit dat die er snel zullen komen, een PFAS-vervuiling zorgt voor vertraging.
Bende van Nijvel
Het textielbedrijf kreeg onder meer faam door de Bende van Nijvel. Die pleegde op 10/11 september 1983 een overval en maakte er kogelvrije vesten buit. Eén persoon liet daarbij het leven.
Jozef Broeders werd gedood en zijn echtgenote Linda van Huffelen, tevens conciërge, werd zwaargewond.
*2 Vader Petrus, klinker op de werf, was genoodzaakt vroegtijdig met werken te stoppen wegens een longziekte.
Op dit beeld, genomen op kraan 5, staat ‘de Peer’ afgebeeld met zijn twee helpers. In de diepte zie je het centraal magazijn en de compressorzaal langsheen het plaatatelier.
Helmen waren nog niet in gebruik.
*3 Schweizerische Reederei AG
Voor deze rederij werden in 1957/58 een tiental vrachtschepen gebouwd. Met afmetingen 85.9mx19.2m en een geringe diepgang van 2.8m waren ze ontworpen om de Rijn te bevaren, aangedreven door twee Sulzer motoren van 600pk (bouwnummers 1350 t/m 1359).
*4 Onderhoud
Het atelier onderhoud is vele jaren gevestigd geweest in de oude fabrieken van Paul Van der Schueren, de eeuwige tegenstander van Frans Boel. In enkele van die gebouwen, met sheddaken, werden de onderhoudsdiensten van de werf ondergebracht. Dit was uiteraard nadat Georges Van Damme deze gebouwen in 1956 gedeeltelijk had verworven. De katoenspinnerij van Van der Schueren sloot de deuren in 1949 en de weverij in 1956. In 1983 werden de gebouwen die niet meer werden gebruikt door Boelwerf, het voormalige werkhuis en ketelhuis, gesloopt. Het laten omvallen van de schoorstenen gebeurde over de middag onder ruime belangstelling.

Op bovenstaande foto ligt ‘de onderhoud’ rechts van Koning Albert I en Frans Boel. Foto: archief Op Stoapel
Voorheen was de dienst onderhoud ondergebracht in het atelier rechtover helling 2. Ze lagen in het verlengde van hellingen 1 en 2 waarachter later Blok I werd opgetrokken. Die eerste onderhoud bestond voornamelijk uit een magazijn waar olie en vetpotten werden gestockeerd. Later kwam er dan een meer gestructureerde manier van onderhoud, met vaste mensen en machines. De inzichten veranderden en de hulpmiddelen zoals kranen, rolbruggen, takels en gebouwen vereisten meer zorg en onderhoud.
Bedoelde ateliers rechtover Kraanbaan II (de meest rechtse poorten, huisvestten de schippers en de paswerkers aan boord.
Uit die paswerkersgroep is de onderhoud gegroeid. Als er een reparatie was aan een machine of gereedschap werd er een beroep gedaan op een van die mannen.
De electriciens hadden hun stek tijdelijk naast de hoofdcabine en het compressorgebouw rechtover het algemeen magazijn.
De paswerkers zijn verhuisd naar de sledeloods begin jaren 1980. Ook de afdeling
paswerker/kotteraars namen er hun intrek. Deze loods stond meer centraal op de werf en veel sleden voor de tewaterlating waren bij de komst van het dok overbodig geworden zodat er plaats vrij kwam. De schippers hebben hun stek nooit verlaten.
*5 Pomona
Door een slecht gesloten buitenboordkraan liep er water in de bieltjes. Tijdens de nacht was de machinekamer zodanig met water gevuld dat het gat in de zij het wateroppervlak/de waterlijn van de Schelde raakte, waardoor massaal Scheldewater de machinekamer binnenstroomde. Omdat de diepgang van het schip voldoende groot was verdween enkel het onderste deel van de machinekamer onder water. De schade was wel degelijk heel groot.
*6 Paneelstraat
De Paneelstraat bestond uit enkele staties. De eerste was de vlakvloer om die platen samen te brengen. Daarna werden ze gekeerd en naar een volgend station geleid, via rollen, om langs de andere zijde te worden afgelast. Bij de volgende halte werden de bulbstevens geplaatst en in het laatste station afgelast.
Overzicht Paneelstraat met de vijf stations van achter naar voor:
– vlakvloer en keerplaats voor samenstellen huid
– lasautomaat en ultrasoon controle van de las
– aftekenen plaats en stralen waar de spanten komen
– de spanten onderaan stralen en plaatsen met magneetbrug
– striplassen met lasautomaten
– een zesde rolbrug, met 32 ton hefvermogen, liep overheen de paneelstraat










